Een waardeloze hond, of: hoe Pretpark Amersfoort van de aardbodem verdwenen is (1/3)

Het is jammer dat het bovennatuurlijke, heden ten dage, als acceptabele verklaringsgrond voor alledaagse raadsels vrijwel geheel uit beeld verdwenen is. Men is er tegenwoordig op gebrand om stante pede een logische uitleg voor zijn gebrek aan inzicht te kunnen opvoeren, zelfs in die gevallen in welke een onlogische, hoe buitenissig in eerste instantie misschien ook, uiteindelijk veel redelijker en, het is waar, bij nader inzien zelfs veel voor de hand liggender is. De gemakzuchtige ratio lijkt het in ons tijdsgewricht in dat opzicht definitief gewonnen te hebben van de geduldige intuïtie. Ook wat betreft de kunsten en ambachten, de bellettrie, de wetenschappen en het zakenleven heeft men voorshands overwegend de aandacht gevestigd op het mogelijke, terwijl het onmogelijke vaak wordt veronachtzaamd, men zou kunnen volhouden stelselmatig. Nu zal ik geenszins beweren, waarde lezer, dat er per se hogere machten in het spel waren bij de tragische geschiedenis die ik u thans te vertellen heb, maar totaal uitsluiten kan ik het ook niet. Al was het maar omdat ik het niet wil.

In het onderzoek naar terroristische aanslagen, om maar een enkel onbeduidend voorbeeldje te noemen alvorens ik afdaal in de krochten van mijn schuldige geheugen en mijn verhaal beginnen zal, in het onderzoek dus naar terroristische aanslagen heeft men zich tot nu toe alleen beziggehouden met die subklasse van aanslagen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Aanslagen die zouden hebben kunnen plaatsvinden worden door niemand onderzocht, mijns inziens volstrekt ten onrechte. Alle aanslagen met spijkerbommen op, dat wil zeggen in, Nederlandse pretparken bijvoorbeeld, die ons bespaard zijn gebleven, al die aanslagen zijn tot op heden systematisch door onze autoriteiten over het hoofd gezien... Waarde lezer, u denkt op dit kritieke punt aangekomen wellicht dat ik een grapje met u uithaal. Dat ik u zand in de ogen strooi, zoals schrijvers gewoon zijn te doen, of u verveel met zinledige associaties, voor de vuist weg zij het ook met engelengeduld neergeschreven om u zo ver mijn tekst in te lokken dat ophouden met lezen louter leiden zal tot het onbehaaglijke gevoel kostbare tijd geïnvesteerd te hebben zonder daarvoor ooit nog deugdelijk beloond te worden, tijd die u ook had kunnen doorbrengen met uw dierbaren, of uw huisdier, of met het lezen in een goed boek, van een respectabele auteur, waarover u misschien nog iets had kunnen opmerken morgen, zo tussen neus en lippen door, tegen collega's. Waarde lezer, niets is minder waar! Want gaat u maar na.

Het is ons, de goden zij dank, bespaard gebleven, maar hoe gemakkelijk is het niet, voor wie er serieus op uit is een hele bevolking schrik aan te jagen, hoe eenvoudig, hoe doodeenvoudig is het niet, voor wie werkelijk voornemens is afschuw en angst te zaaien, echte, verstrekkende, diepwortelende angst - hoe simpel is het niet, kortom, een geslaagde terroristische aanslag te plegen... in een Nederlands attractiepark? Zijn attractieparken in het algemeen al zinnebeelden bij uitstek van bescherming en zorgeloosheid, attractieparken ten onzent spannen toch in dat specifieke opzicht ontegenzeggelijk de kroon. Want als veiligheid in attractieparken een eerste vereiste is, dan is veiligheid in Nederlandse attractieparken de eerste vereiste. Als risicobeheersing er het alfa en omega van uitmaakt, letter en geest ineen, de kwintessens, dan zijn Nederlanders wat dit aangaat immer nog heer en meester. En risicobeheersing, waarde lezer, is inderdaad waar het om draait. In een attractiepark namelijk wordt er voortdurend nauwlettend op toegezien de illusie in stand te houden dat u op een haar na bent ontsnapt aan Magere Hein, terwijl de eigenlijke, uitgerekende risico's feitelijk zo gering zijn als, laat ons zeggen, het besef dat er aan dit leven ooit een einde komt bij het kroost dat staat te kijken langs de kant, nog te klein om in de rij voor de achtbaan te mogen aansluiten, een grote cola in de ene hand en in de andere een ballon van Mickey Mouse. En gelukkig maar, zou ik daar nog aan willen toevoegen.

Wie eenmaal inziet dat alle angst doodsangst is, begeeft zich naar het attractiepark om die angst onder ogen te komen. Geheel vrijblijvend, want: hoewel men de afgrond des doods op het eerste gezicht bijna nergens nabijer komt, weet men zich toch, tezelfdertijd, bijna nergens veiliger en is, hoe is het mogelijk, in werkelijkheid nergens verder van die fatale afgrond verwijderd. Die wachtrij bij de kassa wil hij, of zij, daarvoor wel op de koop toe nemen. Graag, zelfs.

Men betaalt er grif voor, voor illusies...

Het grote geheim, waarde lezer, om hier nog een ogenblik op door te gaan, het grote geheim dat verantwoordelijk is voor deze begoocheling der zinnen, heet, kortweg, contrast. In dit geval gaat het dan overduidelijk om het contrast met het leven buiten het attractiepark, het leven dat niet is uitgerekend, het leven zelf, als het ware. In dat leven, in dat leven bedoel ik, heeft men juist doorlopend de illusie helemaal van gevaar te zijn gevrijwaard, een illusie die desalniettemin helaas maar al te vaak als zodanig onderkend moet worden, zodat hier het predicaat betreurenswaardige vergissing allicht eerder van toepassing is.

Pardon, ik bedoel natuurlijk: prevaleert.

Het is dan ook ongelooflijk, ronduit ongelooflijk, waarde lezer, bij alle zorg die men toch heeft besteed aan veiligheid, bij alle aandacht die men zo consequent aan de dag gelegd heeft voor controle, dat men totaal vergeten schijnt te zijn, met name ook in Nederlandse attractieparken, totaal vergeten schijnt te zijn zeg ik u, diezelfde ijverzucht aan te wenden als het aankomt op... de veiligheid bij de controle.

De veiligheid bij de controle, jawel! Want nogmaals, waarde lezer, gaat u maar na. Waar nu zit hem in deze uiteenzetting de zwakke plek? Waar rammelt het verhaal? Waar is die beroemde dubbele bodem gewoon zichtbaar, althans voor wie niet ziende blind is? Inderdaad, bij de kassa. Aan de ene kant, aan de buitenkant zogezegd, loert daar achter een façade van betrouwbare alledaagsheid onophoudelijk het gevaar, terwijl aan de andere kant, aan de binnenkant, waar uw veiligheid in feite zo goed als gezekerd is, de risico's u schijnbaar om de oren vliegen. U hoeft er alleen maar even uw toegangskaartje te tonen, en u kunt doorlopen. Waarde lezer, gelooft u het zelf?

Deze weergave van de feiten op zich is uiteraard de ware illusie die u hier wordt voorgespiegeld. De buitenwereld heeft immers aan kassa's als magische grens van risicoverdeling niet de minste boodschap. De buitenwereld heeft lak aan illusies. De buitenwereld hoeft alleen maar even zijn toegangskaartje te tonen. En kan doorlopen.

Het is ons, de goden zij dank, bespaard gebleven, en misschien is het met die toegangscontrole vandaag de dag ook wel veel beter geregeld dan in de tijd dat ik mij nog in attractieparken durfde te vertonen, maar er hoeft maar één monster in de buitenwereld te ontwaken, er hoeft maar één monster in de buitenwereld zich op te richten, zijn angstaanjagende hoofd te wenden, zijn boosaardige blik te laten vallen op die wijd open, lieflijke ingang daar in de verte - daar in de verte maar o, zo dichtbij! - er hoeft in Nederland maar één terrorist op het idee te komen, er hoeft maar – enfin, u begrijpt intussen wel waar ik naartoe wil.

Maar wat u niet begrijpt, waarde lezer, en dan houd ik er echt over op, is waarom het ons, de goden zij dank, bespaard gebleven is. En hier kom ik dan ten langen leste aan het punt dat ik tot dusverre in dit onbeduidende voorbeeld zo angstvallig, of ook wel: stoutmoedig, vermeden heb - ook, omdat het eigenlijk wel als voorondersteld mag worden aangenomen - namelijk het punt van de aanslagpleger zelf en zijn, of haar, motieven.

Want het mag inderdaad wel als voorondersteld worden aangenomen, dat aanslagen, althans in ons tijdsgewricht, voornamelijk gepleegd worden door personen die een beroep doen op het bovennatuurlijke. Of: door een subklasse van deze grote, uiterst heterogene groep personen, natuurlijk. Het raadsel dat zich nu aan ons opdringt, en gezien de frequentie van terroristische aanslagen wereldwijd zou men dat gerust een alledaags raadsel kunnen noemen, het alledaagse raadsel, met andere woorden, dat zich opdringt aan ons, nu, is waarom genoemde subklasse in het beramen van aanslagen op attractieparken, zoals hierboven uiteengezet toch de beste aanslagen, klaarblijkelijk niet het minste heil ziet.

De beste aanslagen, vraagt u? Helaas, de allerbeste.

Zoals het gezoem van de vliegen steeds luider opklinkt naarmate u de lichamen dichter durft te naderen, zo onherroepelijk ook zwelt het geluid aan van de blijdschap, de zorgeloze blijdschap, als u loopt in de richting van het attractiepark.

Waarde lezer, u denkt op dit kritieke punt aangekomen wellicht dat ik een grapje met u uithaal. Dat ik u zand in de ogen strooi, zoals schrijvers gewoon zijn te doen, of u vermaak met zinledige volzinnen, voor de vuist weg zij het ook met duivelse precisie neergeschreven. Maar erg grappig is het toch niet, als plotseling ergens in de verte, bij de achtbaan achteraan misschien, die u vandaag waarschijnlijk zult laten zitten, die achtbaan dus, omdat het park zo groot is, zo ontzettend groot, veel groter uiteraard dan u vooraf gedacht had, als ergens in de verte plotseling iets opklinkt dat op schieten lijkt. Natuurlijk is het geen schieten, stel u voor, maar als er dan, vervolgens, uit het niets, een stuk of wat mensen, rennende mensen, verschijnen aan de rand van uw gezichtsveld, mensen in paniek, mensen die iets schreeuwen ook, dan lijkt het warempel toch schieten te zijn. En als u dan, vervolgens, bent opgestaan, zonder dat u bent opgestaan, en onmiskenbaar het geluid waarneemt van schoten, snel opeenvolgende schoten, te snel opeenvolgende schoten dan dat een mens daarvoor ooit een trekker zou kunnen overhalen, dan blijken er opeens overal mensen te rennen. En u bent ook gaan rennen. En het geluid dat u vervolgens gewaarwordt, het gekrijs, ononderbroken, dat u vervolgens gewaarwordt, en nooit, nooit meer vergeten kunt, dat is het gekrijs, dat is het geluid dat er natuurlijk altijd al geweest is. Dat is het geluid dat zich verborgen hield, al die tijd al, achter dat andere geluid. Verborgen hield, natuurlijk, achter het geluid van de blijdschap. De zorgeloze, tenhemelschreiend zorgeloze blijdschap.

Kortom, waarde lezer. Hoe simpel is het niet een geslaagde terroristische aanslag te plegen in een attractiepark in Nederland. Het mag, ten derden male, wel als voorondersteld worden aangenomen, dat aanslagen heden ten dage bijna uitsluitend gepleegd worden onder het luidruchtige aanroepen van het bovennatuurlijke. Is het dan, in dat geval dus, onredelijk om het ontbreken van juist naar hun aard bij uitstek voor de hand liggende aanslagen toe te schrijven aan... het bovennatuurlijke? Of, denkt u, moet de absolute afwezigheid van het meest waarschijnlijke hier juist worden beschouwd als een geval van zuiver toeval, het allerzuiverste misschien? Wie zal het zeggen. Hoe dan ook, en in ieder geval, wat geen toeval kan zijn, is dat de profeet, hoe hij genoemd wordt door zijn volgelingen ontschiet me op het ogenblik, op wiens aanwijzingen genoemde aanslagplegers zich bij hun terreurdaden, zeggen zij, zo consequent beroepen, dat deze voorganger dus, getuige de officiële mythen die over hem de ronde doen, ooit 's nachts nog eens een ritje naar "de zeven hemelen" heeft ondernomen, gezeten op "een wit en lang dier, groter dan een ezel, maar kleiner dan een muilezel". Me dunkt, zo'n sprookjesachtige, middernachtelijke hiernamaalsreis is toch een thema uit duizenden voor een alleraardigst ritje... in een attractiepark.

Maar genoeg nu over denkbeeldige aanslagen. En niet louter omdat wetenswaardigheden over profeten, hun volgelingen en hun fabeldieren mij in feite nagenoeg siberisch laten - afgezien dan van het zekere nut dat ze wel hebben kunnen bij het verzinnen van onbeduidende voorbeelden - maar vooral ook, omdat ik nu eindelijk mijn gemoed wel eens wil luchten, en nog een tragische geschiedenis vertellen moet, die helaas maar al te echt en waargebeurd is, en allerminst onbeduidend.

Ja, u bent er nog?

Dan moet u het zelf maar weten. Waarde lezer.

Gram

Er zijn, voor zover ik weet, twee soorten mensen. Ik heb niet veel verstand van mensen.
De eerste soort is de buitengewone mens. De tweede wordt ongeveer anderhalf keer zo klein.

Toen mijn vrouw over kinderen begon, had ik dat gelijk moeten afkappen. Kinderen zijn nergens goed voor. Ze hebben wel de onsmakelijke gewoonten van honden, maar missen hun nederigheid. Overigens ben ik geen liefhebber van honden.
Maar mijn vrouw kende mij goed. En op een avond, toen ik thuiskwam, had zij bloemetjes in heur haar gestoken en zei, haar ogen sluitend: "Je mag mij heel de nacht bezitten."

Ze beviel, het bleek een jongetje, maar het jongetje begon pas na een week te groeien. Het groeide door, tot het rond zijn elfde levensjaar, denk ik, normale afmetingen bereikt had. Wij hadden er geen naam voor bedacht, omdat ik dat niet wilde. Ik kon er ook niet aan wennen, een kind in huis. Een hallucinatie, dat was het, en meer niet.

Maar toen het elf was, ik heb het opgezocht, leek het verdomme wel helemaal met groeien op te houden. Ik drong er dus bij mijn vrouw op aan, dat wij ons van het jongetje ontdoen zouden. Niet dat het veel kostte, het jongetje, maar ik wilde een poes en besteedde mijn geld, mijn geld, waar ik voor werkte immers, liever aan kattenvoer.
Kattenvoer is, terecht, zeer prijzig.
Bovendien vreesde ik dat, zou ik een poes aanschaffen, zij op een dag zo slim zou zijn geworden dat zij het jongetje zou aanvallen, en opeten. Nu zou ik daartegen natuurlijk geen bezwaar hebben, ware het niet dat wij voortdurend visite hadden. Een van onze gasten zou overstuur raken en de politie waarschuwen en mijn kostbare tijd zou voortaan en voor altijd door uitvluchten in beslag worden genomen.
Enfin, mijn vrouw is, helaas, ietsje zachtaardiger dan ik.
Groeien deed het jongetje evenwel niet meer. En toen het twaalf werd, was ik er al toe overgegaan een van de kamers van ons landhuis in te richten als zijn gevangenis. Wat het at was nooit de moeite waard geweest, het jongetje, het kon het tijdenlang uithouden op enkele koekkruimels en had ook overigens een vriendelijke natuur, zodat ik wel vermoedde dat het er nooit vandoor zou gaan.

Maar ook de visite bleef.

Op een dag besloot ik daarom te verhuizen, naar Amerika. Ik plaatste een woningruiladvertentie en voor ik het wist hadden er enkele dikke Amerikanen op gereageerd. Toen zij mijn huis kwamen bezichtigen, en het zonder pardon moesten inwisselen voor hun eigen huis, hadden wij die dikke Amerikanen natuurlijk vooral gewezen op de genoegens die de tuin hun zou kunnen verschaffen. Wij zorgden er wel voor dat zij de vierde kamer, met daarin het jongetje, helemaal niet te zien kregen. Ze hadden nog een grote bek ook, over het beetje geld dat ik verlangde voor de woningruil, en toen verlangde ik het dubbele alsook vooruitbetaling.

Het jongetje was ik daarna al snel vergeten.

Sinds enige maanden heb ik dan eindelijk een mooie poes. Ik heb er de naam 'Gram' voor bedacht, naar een verhaaltje van de schrijver W.F. Hermans. Het is inderdaad een zeer mooie poes, een roofdier immers, en altijd als ik mijn vrouw bloot op de knieën heb, bekijkt zij ons en krult dan lekker, lekker, heel lekker traag haar poten, die machtige poten ja, met die "vijf kussentjes van roze rubber", krult dan die poten uit pure bevrediging onder haar zachte borst.

Ondanks de bevrediging die wij haar schenken, loopt zij, onze poes, dikwijls van huis. Zo is haar aard en wij verlangen geenszins om daar erg boos over te worden. Want wij vinden haar altijd weer terug, hoe ver zij ook mag weglopen en bovendien wil zij eigenlijk ook best door ons gevonden worden.
Eergisteren was zij weer eens op stap gegaan.
Gisteren ben ik gaan zoeken en 's avonds had ik haar zoals verwacht al teruggevonden.
Zij was, ondanks haar zogenaamde afkeer van water, de oceaan overgezwommen en had op poezeninstinct mijn oude landhuis weergevonden, hoewel zij er nog nooit geweest was.
Zij zat op de veranda, voor de deur. Ik pakte haar op en drukte eventjes mijn neus in haar verrukkelijke nekvel. Toen leunde ik naar voren en loerde door het sleutelgat. De dikke Amerikanen hadden hun tijd verspild, zag ik, en lagen in de achtertuin, misschien al maanden. De visite had het huis overgenomen, maar in zijn verborgen gevangenis zat nog steeds het jongetje.
Alleen.
Veel geringer nog dan ik mij herinnerde.


Een briljant idee

Toen hem werd meegedeeld dat zijn ouders bij een vliegtuigcrash om het leven waren gekomen en het onmiddellijk en zeer duidelijk tot hem doordrong dat hij, zijnde de enige erfgenaam, voortaan voor honderd procent verantwoordelijk zou zijn voor het immense landhuis dat zij bewoond hadden, kreeg Jochem U. een briljant idee: hij zou het huis, dat werkelijk een ode aan de schoonheid was, een historische buitenplaats bovendien, zeventiende-eeuws, en nog onlangs door zijn vader voorgesteld als Nederlandse kandidaat voor de Werelderfgoedlijst, tot op de grond toe afbranden en daarna een reusachtige schadeclaim indienen bij de verzekering. Maar eerst, eerst zou hij het helemaal leeghalen.

*

Jochem U. was achttien jaar. Hij studeerde letteren in Amsterdam en woonde daar sinds een paar maanden op kamers. Dat beviel hem uitstekend, maar niet heus, en nog voordat zijn ouders goed en wel begraven waren had Jochem, zonder nadenken, het bleke studentenleven voorgoed vaarwel gezegd. Hij zegde de huur op en nam direct zijn intrek in het huis dat hem nu toebehoorde. Het huis, overigens, waar hij geboren was.

De begrafenis intussen ging goeddeels aan hem voorbij. Zo vol was hij van het idee de verzekering op te lichten (want dat was uiteraard waar zijn idee op neerkwam: oplichting), dat hij het zelfs tijdens de plechtigheid niet uit zijn hoofd kon zetten. In een afgeladen aula zat Jochem diep in gepeins verzonken op de eerste rij. Af en toe verscheen er een brede grijns op zijn gezicht en stiet hij een harde lach uit. Tijdens zijn toespraak keek hij glunderend de zaal in.

Het was trouwens niet zo dat de dood van zijn ouders hem per se koud liet. Hij had wel een beetje verdriet. Maar dat beetje maakte geen schijn van kans natuurlijk, tegenover zijn briljante idee.

De familie begreep er niets van, was gechoqueerd en verbrak, eensgezind, alle contact.

*

Daar zat hij dan, alleen in zijn landhuis. Afgesloten van de buitenwereld, want: aan drie kanten van het huis lag bos. Als het waaide, hoorde Jochem het ruisen van de hoge eiken, als het windstil was het gefluit van vogels of het geritsel, opmerkelijk dichtbij, van wilde zwijnen. Er was geen menselijke bebouwing zichtbaar vanaf het erf, afgezien dan van de oprijlaan. Als kind was hij die oprijlaan vaak opgereden met zijn kinderfietsje. Waarom? Om te kijken waar hij uit zou komen natuurlijk. Maar altijd was de weg te lang geweest en altijd had de kleine Jochem op het laatst toch rechtsomkeert gemaakt.

Binnen was het landhuis net een museum. De wanden hingen vol met schilderijen uit de Gouden Eeuw en het kon niemand die daar oog voor had ontgaan dat hier over details was nagedacht. Jazeker, iedere plint van het huis was onderdeel van een oorspronkelijk ontwerp. En niet alleen de plinten trouwens, ook meubels, deurknoppen en raamwerk, werkelijk alles was perfect op elkaar afgestemd. Het geheel was dan ook voor een fortuin verzekerd. En als ik nou de onderdelen ook voor een fortuin verkopen kan, zei Jochem bij zichzelf, dan heb ik tweemaal een fortuin. En tweemaal een fortuin, nou ja, dat kon je bijvoorbeeld op de beurs gemakkelijk nog weer verdubbelen.

*

Hij ging meteen aan de slag. Hij kocht een tweedehands bestelwagen en vond meteen al, op een kwakkelend industrieterreintje van een klein dorpje in de buurt, een grote loods waar hij de spullen uit het huis kon opslaan.

Bij navraag echter bleek deze loods helemaal niet te huur. Wel wilde de eigenaar, een bejaarde en mislukte ondernemer die zijn einde voelde naderen, de loods voor een schappelijke prijs aan Jochem overdoen. Zo geschiedde, en vol goede moed begon hij aan de uitvoering van zijn verdorven plan.

Natuurlijk zou de verzekering meteen een onderzoek instellen. Hier had Jochem goed over nagedacht. Om het allemaal zo echt mogelijk te laten lijken, moest hij de spullen die hij weghaalde ook weer vervangen door andere, gelijksoortige spullen. Een stoel van Rietveld, die overigens detoneert met de Gouden Eeuw en die je dus in dat landhuis niet zou hebben aangetroffen, was misschien een klein vermogen waard, tot as verbrand was hij waarschijnlijk niet meer te onderscheiden van de as van een IKEA-stoel – of een stoel voor twee euro gevonden op de rommelmarkt.

En omdat hij tijd genoeg had, was dat precies wat Jochem deed: op de terugweg bezocht hij rommelmarkten en kringloopwinkels om alle spullen die hij op de heenweg weggebracht had opnieuw aan te schaffen – althans, de waardeloze versie ervan. Een goed plan inderdaad, en zo hoefde hij nooit lang te onthouden wat eigenlijk toch allang door iedereen vergeten was. Zelfs van muren en deuren afgesloopte ornamenten werden door hem vervangen: hij zette er oudroest voor in de plaats. Of stukken afvalhout.

*

Het kostte hem maanden, maar ten slotte was het landhuis van zolder tot kelder volgepropt met rommel. Een van de laatste oorspronkelijke dingen die hij nog moest vervangen, was de diamanten kroonluchter in de eetkamer. De kroonluchter was werkelijk gigantisch en had altijd een bijzondere aantrekkingskracht op Jochem uitgeoefend. Als jongetje, eigenlijk bezig met een kleurplaat aan de grote tafel, of ook wel zomaar, als hij zich verveelde, had hij zich regelmatig door de fonkelende diamanten boven zijn hoofd laten betoveren. Later leerde hij dat het licht zo mooi verspreid werd omdat diamanten op een bijzondere manier geslepen werden, een slijpwijze die men ‘briljant’ noemde. Die informatie had de betovering natuurlijk nauwelijks doen afnemen.

Staand op de hoge keukentrap vroeg Jochem zich af hoe hij het gigantische ding eigenlijk van het plafond zou krijgen. Hij aarzelde en heel even bekroop hem het gevoel dat hij zich ergens in zijn plan verschrikkelijk vergist had. Maar het hoefde al niet meer: hij reikte naar een diamant, verloor toen plotseling zijn evenwicht en viel opzij. Hard klapte hij met zijn achterhoofd tegen het hout van de nagemaakte parketvloer, en toen hij niet meer opstond was het een grappig gezicht zoals de lege keukentrap, na even heen en weer gewiebeld te hebben, weer helemaal stilstond in de verder ook bewegingloze eetkamer.

*

Jaren gingen voorbij en nooit werd het huis bezocht. Alleen de dieren uit het bos verloren ten slotte hun argwaan en gingen het huis als onderdeel van hun domein beschouwen. Rommel van binnen ging zwerven, en zo raakten bos en landhuis langzaam maar zeker met elkaar vergroeid.

In de oude loods, hemelsbreed maar zo’n tien kilometer van het huis verwijderd, verrotte intussen even langzaam en even zeker de kostbare inboedel.

*

De brief die Jochems vader had gestuurd naar de Verenigde Naties, met daarin het verzoek zijn huis op de Werelderfgoedlijst te zetten, was uiteraard nooit door iemand beantwoord. Wonderlijk genoeg echter had zijn verzoek uiteindelijk wel de Nederlandse rijksoverheid bereikt en was vervolgens doorgesijpeld naar gemeenteniveau, waar een daartoe aangewezen ambtenaar weer moest beslissen over eventueel toe te wijzen subsidiegeld.

Het was deze gemeenteambtenaar die op een dag verwonderd rond het afgetakelde landhuis stapte. Zich een weg banend door manshoog onkruid en het meest vreemde zwerfafval, bereikte hij de achterzijde van het huis en zag dat de serredeuren er wijd open stonden.

Hij wilde het huis binnengaan, maar voelde dat hij iets vertrapte in het hoge gras. Het gras was zo hoog opgeschoten dat hij bij het lopen zijn handen kon gebruiken om het opzij te duwen. Alsof het landhuis was gezonken in onkruid en hij er nu naartoe gezwommen was, filosofeerde hij. Toen hij keek wat hij vertrapt had en het opraapte bleek het een stuk bot te zijn, dat hij op slag weer uit zijn hand liet vallen.

Hij verspilde zijn tijd hier. Maar na enig rondscharrelen in de serre keerde de ambtenaar toch nog tevreden naar zijn auto terug. Hij had een echte Zippo-aansteker gevonden! Zomaar, op een tafeltje.

Leeg natuurlijk, maar niet getreurd: zulke aanstekers kun je gewoon weer vullen, hoor.